Koken in de Boksstal
Ik ben onderweg naar de boksstal in het centrum van Brussel, in Laken.
Ik passeer langs het Paleis van Laken, maar daar moet ik niet zijn. Een andere keer misschien.
Na wat rondjes rijden bel ik Pierre om te zeggen dat ik in de buurt ben. Ik parkeer mij – zoals dat kan in Brussel – even dubbel om uit te laden. Daarna nog snel op zoek naar een echte parkeerplaats in de buurt, en dan ben ik er helemaal klaar voor.
De boksstal is niet uitgerust met een keuken, dus improviseren we alles bij elkaar. Midden in de zaal bouw ik mijn eigen streetfoodkraam op, met een vuurtje, wat potten en pannen en mijn eigen publiek.
Dat publiek bestaat, naast Pierre, ook nog uit Kwinten: een ‘toevallige’ passant die zich met veel plezier opoffert om mee te proeven van Libanese streetfood, gemaakt met lokale ingrediënten.
Onze derde gast Ghina Bazzi ligt helaas ziek in bed!
We beginnen, zoals dat hoort, met een aperitiefke. Granaatappelsap met wat tonic. Als afwerking geen granaatappelpitjes – die zijn niet echt lokaal te noemen – maar héél kleine stukjes Belgische appel die een nacht hebben gemarineerd in granaatappelsap.
Waarom geen granaatappel en wél granaatappelsap, hoor ik u denken? Granaatappelsap wordt gemaakt op het moment dat de granaatappels in overvloed aanwezig zijn en perfect rijp zijn. Geen halfrijpe vruchten die op elk moment van de wereld moeten rondreizen en met minder smaak op ons bord belanden, maar the real deal, op het juiste moment gemaakt.
Geven die kleine stukjes appel dezelfde smaak als granaatappelpitjes? Nee, natuurlijk niet. Maar de smaken komen uit hetzelfde palet en kunnen elkaar perfect vervangen.
‘Lekker,’ zeggen mijn gasten na de eerste slok. ‘En waarschijnlijk nog beter met een goei kloesch gin erbij…’
Ik wist niet dat deze mannen na het eten nog een stapke in de wereld gingen zetten om het weekend te vieren, anders had ik wel een lokale gin meegebracht. Maar ja, nu is het te laat.
Allee ja… bij het zien van het eten – waarmee ze zeker “een goe fondke” kunnen leggen – zijn ze die gin snel weer vergeten. En aangezien er nog wat Jupiler koud staat, kunnen we gerust nog even verder.
Ondertussen frituur ik Libanees brood in olijfolie en zet ik een paar potjes verse hummus klaar. Eentje afgewerkt met fijne olijfolie en komijn, de andere met paprikapoeder en opnieuw een straaltje zachte olijfolie. Ik presenteer alles samen op mijn klein tafeltje.
Twee paar ogen kijken me vragend aan. Wanneer ik het startschot geef, nemen ze elk een stukje gebakken brood met een flinke schep hummus. Er volgt een goedkeurend geknik:
‘Goe zeg… da’s goe, met die komijn enzo. Ja. Goe.’
Ondertussen ben ik al bezig met de voorbereiding van shish taouk: gegrilde kip die een nacht heeft gemarineerd in een goed gekruide yoghurt-olijfoliemarinade.
De grillpan gaat op het vuur en twee paar ogen vragen al: ‘Wat komt er nu?’
Een heerlijk, eerlijk en enthousiast publiek, die twee mannen in de boksstal.
Terwijl ik de kippenspiesjes gril en een yoghurtdip klaarmaak, word ik volledig ondergedompeld in de Brusselse wereld van twee volwasse ‘kette’. Twee mannen die nog altijd graag eens de bloemekes buitenzetten in het ‘jeugdhuis’ en maar een half woord nodig hebben om het ene na het andere avontuur boven te halen – met veel gelach erbij.
Ik geef hen allebei een kippenspies in de hand. Het wordt even stil. En dan hoor ik het:
‘Goe zeg. Echt goe gedaan.’
Ze beginnen meteen plannen te smeden om elke vrijdagmiddag, vóór ze het weekend induiken, eerst goed te gaan eten. En als ik “niks” te doen heb, mag ik zeker de kok van dienst zijn.
Ik neem dat maar gewoon als een compliment.
Hopelijk lukken de Libanese broodjes met gehakt en de salade straks even goed.
